Een warme rilling, ik heb hoop.
Daarna mogen Pierre en ik plaatsnemen in een wachtruimte. Een ruimte die met vrolijke kleuren, grote raampartijen en grenzend aan een groenstrook, in ieder geval niet negatief aanvoelt. De ruimte zit vol, héél vol. Onbewust scan ik de wachtenden. Jong, oud, man, vrouw, samen, alleen.
Ik heb torenhoge verwachtingen van de tweede kuur
Ik krijg complimenten van mijn huisgenoten: ‘Je eet als een slootgraver’ en: ‘Hé mam, je loopt niet meer zo oenig’. De oncoloog belt en stelt een lagere dosering voor. Daar ga ik hem aan houden.